Hoe komen de prognoses tot stand?

Het prognosemodel zorg en welzijn geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van de vraag naar arbeid (arbeidsvraag) en het aanbod van arbeid (personeelsaanbod) tot 2030. De arbeidsvraag en het personeelsaanbod worden afzonderlijk van elkaar berekend. De confrontatie tussen vraag en aanbod geeft zicht op de vervulde vraag en op overschotten in vraag en aanbod.

Arbeidsvraag

De ontwikkeling van de vraag naar werknemers (arbeidsvraag) in zorg en welzijn wordt bepaald door de ontwikkeling van het zorggebruik, de arbeidsproductiviteit en de deeltijdfactor.

Zorggebruik

Het zorggebruik in verschillende branches wordt bepaald aan de hand van verschillende indicatoren. Voor de verpleeghuizen zijn dit bijvoorbeeld de diverse zorgzwaartepakketten, voor de ziekenhuizen zijn dit verpleegdagen, opnamen en polikliniekbezoeken. Het zorggebruik wordt gekoppeld aan de arbeidsvraag per beroepsgroep. Zo wordt de indicator polikliniekbezoeken gekoppeld aan de arbeidsvraag naar doktersassistenten in ziekenhuizen. Een verwachte groei of krimp in het aantal polikliniekbezoeken leidt dan tot groei of krimp in de vraag naar doktersassistenten.

Vervolgens is per indicator per regio bepaald wat de verwachte ontwikkeling is van het zorggebruik. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd:

  • Declaraties in de Zorgverzekeringswet van Vektis

  • Gegevens van het Centraal Administratiekantoor (CAK) Wet langdurige zorg

  • Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein

  • De verdeelmaatstaven in het gemeentefonds

  • Gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor de jeugdzorg en kinderopvang

  • Regiobeeld.nl van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Bij de ontwikkeling van het zorggebruik wordt rekening gehouden met demografische ontwikkelingen (geboorte, sterfte, migratie en vergrijzing van de bevolking). Daarnaast wordt gekeken naar het zorggebruik in de afgelopen jaren. Trends die zichtbaar zijn in deze cijfers worden meegenomen in de prognose.

Arbeidsproductiviteit

Als de arbeidsproductiviteit toeneemt, heeft dit een dempend effect op de vraag naar arbeid. Als de arbeidsproductiviteit afneemt zal de arbeidsvraag echter toenemen. In het prognosemodel is gekozen voor een toename van de arbeidsproductiviteit van 0,5 procent per jaar.

Deeltijdfactor

Als de deeltijdfactor verandert, verandert ook de vraag naar het aantal werknemers. Er zijn dan immers meer of juist minder mensen nodig om dezelfde Er is voor de komende jaren geschat wat de ontwikkeling van de deeltijdfactor per branche is, door te kijken naar de verandering van de deeltijdfactor in de laatste 5 jaar.

Personeelsaanbod

Het personeelsaanbod wordt beïnvloed door verschuivingen in arbeidsparticipatie, de instroom vanuit het onderwijs, uitstroom door pensioen, opscholing en stromen tussen branches en sectoren.

Demografische en arbeidsparticipatie verschuivingen

In het prognosemodel wordt de verwachte ontwikkeling van het personeelsaanbod onder andere bepaald door demografische ontwikkelingen en veranderingen in arbeidsparticipatie. Dit wordt gedaan door het personeelsaanbod van jaar op jaar te corrigeren voor deze twee factoren. Hiervoor worden Primos-prognoses van de bevolking van ABF gebruikt.

Instroom vanuit onderwijs

Het personeelsaanbod wordt uitgebreid met de potentiële instroom vanuit het onderwijs. De omvang van de potentiële instroom wordt bepaald door te kijken naar de instroom van eerstejaars studenten in het onderwijs enkele jaren eerder en deze te vermenigvuldigen met het opleidingsrendement. De instroom van eerstejaarsstudenten in de komende jaren wordt bepaald aan de hand van demografische ontwikkelingen.

Verschuiving van pensioengerechtigde leeftijd

Bij het bepalen van het personeelsaanbod wordt rekening gehouden met de verschuiving van de pensioengerechtigde leeftijd. De afgelopen jaren is gebleken dat de toename van de pensioengerechtigde leeftijd voor 85 procent doorwerkt in de leeftijd waarop mensen daadwerkelijk met pensioen gaan. Dit betekent dat als de pensioengerechtigde leeftijd met 6 maanden wordt verhoogd werknemers in werkelijkheid gemiddeld ongeveer 5 maanden later met pensioen gaan. De uitstroomkansen voor de leeftijden 56 tot en met 74 jaar en ouder worden daarom opgeschoven met de factor 85 procent.

Opscholing

Voor het prognosemodel wordt gekeken naar het aandeel werknemers dat zich in de afgelopen jaren heeft opgeschoold. Er wordt vanuit gegaan dat dit aandeel in de komende jaren gelijk blijft.

Uitwisseling tussen zorgbranches onderling en met andere arbeidsmarktsectoren

Er wordt rekening gehouden met stromen tussen zorgbranches onderling en met stromen tussen de sector zorg en welzijn en andere arbeidsmarktsectoren. In het prognosemodel kunnen zorgbranches met een hoge spanning aanbod aantrekken uit zorgbranches met een lagere spanning, mits de beroepsgroepen aansluiten. Hetzelfde geldt voor stromen tussen zorgbranches en andere arbeidsmarktsectoren. Alleen is daar geen voorwaarde dat de beroepsgroep moet aansluiten en zal in veel gevallen dus omscholing noodzakelijk zijn.

Arbeidsvraag, personeelsaanbod en vervulde vraag zijn schematisch weergegeven

©ABF Research
Schematische weergave Prognosemodel Zorg en Welzijn

Vervulde vraag

Nadat het personeelsaanbod en de arbeidsvraag zijn bepaald, worden deze in het prognosemodel met elkaar geconfronteerd om de vervulde vraag en daarmee het aantal werknemers te bepalen. Personeelsaanbod en arbeidsvraag hebben een bepaalde elasticiteit tot elkaar. Als de arbeidsvraag relatief hoog is zal het personeelsaanbod optimaal benut worden en het aantal werkzoekenden tot een minimum beperkt zijn. Als het personeelsaanbod relatief hoog is zal juist het aantal vacatures tot een minimum dalen. Er is echter altijd sprake van vacatures en werkzoekenden.

Het arbeidsmarktsaldo (arbeidsvraag) kan het tekort worden genoemd en arbeidsmarktsaldo (personeelsaanbod) het overschot. De twee arbeidsmarktsaldo’s kunnen niet met elkaar verrekend worden. Beide saldo’s blijven over nadat zowel de instellingen met vacatures op zoek zijn gegaan naar personeel als de werkzoekenden naar een baan. Allereerst zijn de saldo’s beroepsgroep, branche en regio specifiek. Daarnaast kan er sprake zijn van kwalitatieve mismatch (bijvoorbeeld doordat er verschillende beroepen onder een beroepsgroep vallen) en afstand tot de arbeidsmarkt. Dit zorgt ervoor dat er gelijktijdig sprake kan zijn van zowel onvervulde vacatures als werkzoekenden. Op basis van het arbeidsmarktsaldo (arbeidsvraag) en arbeidsmarktsaldo (personeelsaanbod) is de PMZW-spanningsindicator berekend, waarmee het aantal vacatures per 100 werkzoekenden wordt weergegeven.

Uitgebreide modelbeschrijving

Een uitgebreide modelbeschrijving is beschikbaar in het verantwoordingsdocument in de online tool.